HTTP 200 OK
Allow: GET, PUT, PATCH, HEAD, OPTIONS
Content-Type: application/json
Vary: Accept
{
"resource_uri": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"id": 235758,
"site_url": "https://fragdenstaat.de/dokumente/235758-reply-flanders-to-lfn-260-of-27-4-2006-sg-a-3530-redacted/",
"title": "Reply Flanders to LFN 260 of 27 4 2006 - SG A 3530 - redacted",
"slug": "reply-flanders-to-lfn-260-of-27-4-2006-sg-a-3530-redacted",
"description": "",
"published_at": null,
"num_pages": 17,
"public": true,
"listed": true,
"allow_annotation": false,
"pending": false,
"file_url": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/reply-flanders-to-lfn-260-of-27-4-2006-sg-a-3530-redacted.pdf",
"file_size": 3301511,
"cover_image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p1-small.png",
"page_template": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p{page}-{size}.png",
"outline": "",
"properties": {
"title": "Scan To Sec Gen A 2006",
"author": "Copier User",
"_tables": [],
"creator": "Oce-Technologies",
"subject": null,
"producer": "DAC R7.3.6",
"_format_webp": true
},
"uid": "31ba1ce4-0d00-4890-86b5-071899b2169e",
"data": {},
"pages_uri": "/api/v1/page/?document=235758",
"original": null,
"foirequest": null,
"publicbody": null,
"last_modified_at": "2022-12-09 16:06:14.095020+00:00",
"pages": [
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 1,
"content": "COMMISSION EUROPEENNE SECRETARIAT GENERAL SG.R.2 Bruxelles,, le 03/05/2006 BORDEREAU D'ENVOI DU COURRIER Reference : SG/2006/A/3530.-- /1 Date encodage 03/05/2006 I Date du document : 27/04/2006 En attribution: (DG ENVIRONNEMENT()) Pour information: M (SERVICE JURIDIQUE ()) (SG) Doc. scannes : 0 Fichiers attaches : 0 Statut : Normal Fiche nominative : Non Expediteur{s) DE BOCK J. (REPRESENTATION PERMANENTE DE LA BELGIQUE) Reference E2-950-I 148 + I DISQUETTE Obiet INFRACTION A 1999/2030 WATER- DIR 91/271, URBAN WASTE-WATER TREATMENT - REPONSE Destinataire(s) Titre MME MME CATHERINE DAY (SECRETARIAT GENERAL ()) Titre SG/R/2 CDC ,,.A� lo�� �17 �AD&. E/V ✓ + � �g,�� POUR INFORMATION OU CHANGEMENT: E-mail: SG BORDEREAU Fax: 64335 Bordereau emis par le Secretariat General par : Mme BERL 8/289 tel. 59227",
"width": 2496,
"height": 3508,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p1-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 2,
"content": "Permanente Vertegenwoordiging KONINKRIJK BELGIE van Belgie bij de Europese Unie uw brief van 25 januari 2006 Europese Commissie uw kenmerk ((2006)231 Mevrouw Catherine DAY Secretaris Generaal s� ons kenmerk· E2-950-1148 Wetstraat 200 vragen naar toestelnummer (02) 233 03 35 1049 Brussel CC{2006)A/ 3 bijlagen 5 �aatste bijlage in 5 delen) + diskette datum 0 3 MAI 2006 2 7 APR. 2006 Kopie na:ar: DGENV: Kopie zonder bijlage:L Kopie met bijlage (bijlage 5 enkel diskette): Inteme kopie: Onderwerp: In gebreke stelling - SG(2006)D/200389 Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater Zaak 1999/2030 Vlaams Gewest Mevrouw de Secretaris-generaal, Als bijlage sturen wij u een antwoord op uw brief dd. 25/01/2006 (1999/2030- C(2006)231) De bijlage is tweeledig en omvat enerzijds een \"begeleidende tekst bjj de rapportering_', ander zijds de \"rapportering ter verstrekking van de gevraagde gegevens\" zelf. De \"begeleidende tekst bjj de rapportering_' geeft duiding en toelichting bij de gegevens van de rapportering. De \"rapportering fer verstrekking van de gevraagde gegevens\" zelf omvat enerzijds een volledige papieren kopij van de diverse rapporten per agglomeratie (Agglomeratie, Opvang en Af voer, Aansluiting, Zuivering, Lazing), alsook een diskette met de digitale versie van de overgemaakte rapporten (pdf-file & excel-file). De pdf-file imiteert het model aangeleverd door de Europese Commissie, de excel-files bevatten de digitale achterliggende informatie. R. Schumanplein 6, 1040 Brussel TEL: 021233 21 11 FAX:02/2311075 E-MAIL: belrep@belgoeurop.diplobel.fgov.be WEB: http://www.diplobel.org",
"width": 2486,
"height": 3507,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p2-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 3,
"content": "Het door de Europese Commissie verstrekte model werd zo maximaal mogelijk benaderd.\nWij hebben echter vastgesteld dat een totaal nieuw model gehanteerd werd ten aanzien van\nde vraagstellingen in het verleden en dat een beperkt aantal vragen niet volledig conform\nhet model kon beantwoord worden. Deze beperkte afwijkingen werden gemotiveerd en\ntoegelicht in het begeleidend document bij de rapportering en vormen geen hinderpaal\n\n_ voor de vlotte verwerking van de gegevens.\n\nMet de meeste hoogachting\n\n \n\nRn)\nNEE EN an",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p3-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 4,
"content": "JS 2\n\nVLAAMSE REGERING\n\nDE VLAAMSE MINISTER VAN OPENBARE WERKEN, ENERGIE, LEEFMILIEU EN\nNATUUR\n\nNOTA AAN DE EUROPESE COMMISSIE\n\nBETREFT:UITVOERING VAN RICHTLIJN 91/271/EEG INZAKE DE BEHANDELING VAN\nSTEDELIJK AFVALWATER: ANTWOORD OP DE BRIEF VAN DE EUROPESE\nCOMMISSIE, DD. 25/01/2006\n\n1. Begeleidende tekst bij de rapportering\n\nA. Algemene toelichting\n\nDeel 1\nSinds de invoering van de RL Stedelijk Afvalwater heeft het Vlaams Gewest diverse\nmaatregelen genomen om te kunnen voldoen aan de verplichtingen volgend uit de richtlijn.\n\n \n\n1.1. Reorganisatie van de waterzuivering in Vlaanderen\n\nDe bestaande structuur inzake de organisatie van de waterzuivering in Vlaanderen werd gewiijzigd.\nTot in 1978 (Kustbekken) en tot in 1982 (rest van Vlaamse Gewest) was collectering en zuivering van\n\nstedelijk afvalwater een uitsluitend gemeentelijke bevoegdheid. Dit leidde tot een situatie waarbij de\nuitbouw van de zuiveringsinfrastructuur onvoldoende kon aangestuurd worden vanuit het federale en\nlater vanuit het gewestelijk niveau met als gevolg een suboptimale planning en onderlinge\nafstemming van de projecten.\n\nDe opgerichte waterzuiveringsmaatschappijen hadden in de periode 1978 (1982) — 1990 niet de\nbeschikking over voldoende middelen (ca. 25 miljoen €/jaar), noch de structuur om een ernstige\nombuiging varı het beleid tot stand te brengen. Hierdoor kon de beoogde versnelling in de uitbouw\nvan de zuiveringsinfrastructuur niet bereikt worden.\n\nHet rioleringsbeleid op gemeentelijk vlak was eveneens weinig gericht op de uitbouw van een\ncoherent rioleringsnet en werd nauwelijks aangestuurd door het gebrekkige centrale zuiveringsbeleid,\nintegendeel het stond daar volledig los van. Het rioleringsnet was zeer sterk uitgebouwd, maar vaak\nontbraken de linken met de bovengemeentelijke collectoren.\n\nDit had tot gevolg dat het Vlaamse Gewest zowel op het gebied van de uitbouw var het\ninzamelingssysteem (in bepaalde gemeenten werd alle water, zowel opperviaktewater,\ndrainagewater, regenwater en afvalwater in een buizenstelsel verzameld) als op het gebied van\nwaterzuivering (te weinig RWZI’s, maar vaak wel overgedimensioneerd voor de betrokken gemeente)\nniet alleen een grote achterstand had ten aanzien van buurlanden als Nederland, Duitsland en\nEngeland, maar tevens dat de organisatie van de waterzuivering op het moment van de invoering\nvan de richtliin nog grondig diende te worden bijgestuurd.\n\nDe toestand, zoals hierboven beschreven, was de basis waarop in 1991 een vernieuwde structuur\ndiende van start te gaan. Zowel de planningsopdracht en controleopdracht van VMM, de",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p4-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 5,
"content": "controleopdracht van Aminal, als de bouw- en exploitatieopdracht van de hiertoe opgerichte NV\nAquafin hadden, zoals elke nieuwe structuur, een inloopperiode nodig om op kruissnelheid te\ngeraken.\n\n1.2. Verhogen van de financiöle middelen voor de uitbouw van de waterzuivering\n\nIn ieder geval werden de in te zetten financiäle middelen substantieel opgetrokken in functie van de\n\ndoelstellingen van de richtlijn Stedelijk Afvalwater.\nEr werd beslist vanaf 1991 minstens 150 miljoen € per jaar voorzien gedurende minstens 10 jaar voor\n\nnieuwe investeringen in waterzuiveringsinfrastructuur (RWZI’s en bovengemeentelijke leidingen),\ndaarna werden de inspanningen gecontinueerd. Vanaf 1994 werd tevens een bedrag van 250 miljoen\n€, gespreid over 10 jaar, voor de aanpassingen aan de bestaande RWZI’s voorzien.\n\nAnno 2006 resulteert dit in 2,5 miljard euro aan investeringsprojecten die reeds aan de NV Aquafin\nopgedragen werden. Bovendien werd de kaap van 2 miljard euro aan opgeleverde projecten\noverschreden.\n\nVanaf 1993 kwam ook, in de vorm van een subsidieprogramma een verbeterde vorm van geordend\nrioleringsbeleid tot stand, met een afstemming op het bovengemeentelijke zuiveringsaspect. De\ninspanningen in gemeenteliike opvangsystemen werden verhoogd en beter afgesteld op het\nbovengemeenteliike opvangsysteem door een meer gerichte subsidi&ring vanaf 1996, en door\nverhoogde subsidies voor gescheiden stelsels in 1999. Het subsidiringsprogramma voor\ngemeentelijke rioleringen beloopt op kruissnelheid 150 miljoen € per jaar.\n\n1.3. Opmaak van investeringsprogramma’s & financiering\n\nAlle investeringsprojecten nodig om te kunnen voldoen aan de verplichtingen volgend uit de richtlijn\nwerden op heden reeds meerdere jaren opgedragen voor uitvoering aan de NV Aquafin via de\nbovengemeentelijke investeringsprogramma’s. Eens een project is opgedragen, dan is de financiering\nhiervan verzekerd.\n\nDe investeringen die door het Vlaamse Gewest via de investeringsprogramma’s opgedragen worden\naan Aquafin worden door deze laatste opgeleverd, waarna ze terugbetaald worden volgens de\nbepalingen van de beheersovereenkomst tussen Aquafin en het Vlaamse Gewest: de investeringen\nworden vanaf de oplevering terugbetaald in gelijke delen over een periode var 15 jaar.\n\nVoor de oplevering worden de eigen middelen en de korte termijn financiering aangewend om de\nwerken in uitvoering te financieren. De lange termijn financiering wordt aangetrokken om de\nterugbetalingstermijn van de projecten over 15 jaar te overbruggen.\n\nAquafin rekent de lasten van de leningen als een redelijke kost door volgens de bepalingen var de\nBeheersovereenkomst tussen het Vlaamse Gewest en Aquafin van 11 januari 1991 zoals gewijzigd\nop 10 november 1993 en op 31 mei 2005. Voor elk Financieel Jaar maakt Aquafin een te vergoeden\nkostenraming op van de totale interest op leningen en/of de kosten van de gelijkgestelde\nfinancieringen aangegaan voor de uitvoering van de Beheersovereenkomst. Op het budgetoverleg\nlegt Aquafin de raming voor van de in het daaropvolgende Financieel Jaar waarschijnlijk\nverschuldigde netto-interesten en/of nettokosten van daarmee gelijkgestelde financieringen.\n\nIn het kader van de langetermijnfinanciering. verleent de Europese Investeringsbank (EIB) kredieten\naan Aquafn op basis van projectfinanciering. Het voorwerp van elk van de\nfinancieringsovereenkomsten is een selectie van individuele projecten betreffende de bouw en\nrenovatie van collectoren, rioolwaterzuiveringsinstallaties en pompstations. Globaal genomen\nfinanciert de EIB de helft van alle geselecteerde projecten. De commerci&le banken nemen het saldo\nvan de financiering voor hun rekening.\n\nVolgende tabel geeft een overzicht van de opgeleverde projecten per 31/12/05 (OPL. 31/12/05) en de\nnog geplande projecten (PLAN) gevat onder de deadline 1998: raming in mio EUR, gedeelte\n\nI Cijfer exclusief algemene kosten (=20% van investeringsbedrag) en BTW",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p5-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 6,
"content": "financiering in mio EUR door EIB (inclusief de nieuwe EIB-lening die in onderhandeling is) en\ncommerci&äle banken (COMM).\n\n \n \n\n \n \n\nIReming | | 65 | 224 | 7164]\n| _____|cOMM | __383,0| 19% 9%\nKOLL (= Collectoren)\n\nRaming | | |\nFinanciering 303,5\n\nRWZI\n\n®)\nOÖ\nSs\nS\nO1\noO\no\n©\nN\nOo\ns\nFRN\n&\nI\noO\nO1\n_\nEx\n[o}}\nO1\n00 |< D\nN ih\n\n \n\n&\n[e)]\nco\nco\n\nPRIO (= Prioritaire riolering)\n\nRmng | | a3] | 243] | 518\nFinanciering 134,5\n_______|COMM | 366,0| 18%] 15,5] _6%| 383,6\nPSPL (= Pompstation en Persleiding\n\n__ |Rmng | | ll | +] | 82\n____|Financiering [EB | 2661 1% 20] 1%| 28,6\n\nI _ _ |Ramng | | 20281] | 27011 | 2345,8\nI_____|Financiering |EIB | 725,81 36%| 90,9] 34%| 826,8\n| ___|COMM 1.302,2| 64%| 179,2] 66%] 1518,9\n\n*Bedragen in miljoen euro\n\n \n \n\n|\nO\n{I\n|\n|\n\n \n\nDeel 2\n\nNiettegenstaande de diverse inspanningen bleek het niet mogeliik om de historische\nachterstand van het Vlaams Gewest inzake de uitbouw van collecteringssystemen en\nzuiveringsinstallaties binnen de termijnen van de richtlijn weg te werken.\n\n \n\n2.1. Invloed van het verleden\n\nNaast deze historische achterstand inzake uitbouw van waterzuiveringsinfrastructuur gaat het\nVlaamse Gewest eveneens gebukt onder een historisch gegroeide ruimtelijke ordening die de\nuitbouw van een opvangsysteem veel uitgestrekter en duurder en moeilijker realiseerbaar maakt dan\nin vergeliikbare buurlanden zoals bijvoorbeeid Nederland. De alomtegenwoordige lintbebouwing, de\nsterke versnippering van wooneenheden (en bijgevolg van te saneren vuilvracht), de zeer geringe\nbouwdichtheid (grote bouwpercelen) maken het inzamelen van afvalwater, het scheiden var\nafvalwater en hemelwater en andere gerelateerde werken veel omvangrijker, duurder, minder\nrendementsvol en dus ook langduriger.\n\nDit gegeven werd tevens objectief weergegeven in het EEA rapport,” Ten Key transport and\nenvironment issues for policy-makers” dd. 2004 waaruit blijkt dat Vlaanderen tot de meest\nversnipperde regio’s van Europa behoort.\n\n2.2. Noodzakelijke spreiding van investeringen in de tijd\n\nDe noodzakelijke investeringen volgend uit de verplichtingen van de richtliin waren ten gevolge van\nde historisch gegroeide situatie enorm omvangrijk en dienden bijgevolg omwille van hun belangrijke\nfinanci&le impact, alsook om hun praktische uitvoerbaarheid gespreid te worden in de tijd.",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p6-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 7,
"content": "De impact van de verplichtingen volgend uit de richtlijn leidde periodisch tot investeringspieken op de\nrelatief beperkte markt van openbare bouwwerken, vooral gezien gelijktijdig rioleringen (gemeentelijke\nen bovengemeentelijke), zuiveringsinstallaties en andere bouwkundige werken (zoals bijvoorbeeld de\naanleg van de hogesnelheidslijn, of gemeentelijke infrastructuurwerken) op de markt werden gegooid.\n\nHoewel voor de werken de overheidsreglementering verplicht wordt gevolgd (met Europese\nmededinging vanaf bepaalde investeringsbedragen, BS 22-01-1994) is er weinig buitenlandse\nmededinging merkbaar, terwijl tegelijk het aantal inschrijvers per aanbesteding afneemt.\n\nAnderzijds is het wel zo dat bijna het hele Belgische aannemersgild in handen van buitenlandse\naannemers of financi@le groepen is opgenomen (Franse, Duitse, Nederlandse, ...) zodat de Europese\nmededinging onrechtstreeks meespeelt, eerder dan dat buitenlandse aannemers zich effectief op de\nBelgische markt zouden begeven gezien de handicap van de afstand.\n\nWat geldt inzake aannemingscapaciteiten geldt evenzeer ten aanzien van de ontwerpcapaciteit van\nde op de markt aanwezig ziinde studiebureaus en ontwerpers. Ook hier ziin de mogelijkheden\nbeperkt, .en is de Europese penetratie qua financi@le bindingen ruim aanwezig. Er ziin nog maar\nweinig exclusief Belgische (Vlaamse) studiebureaus operationeel, het aandeel met deeiname of\nuitsluitend buitenlands kapitaal neemt overhand toe.\n\nDeze investeringspieken kenden een belangrijk effect op de prijs, wat bijkomende financi&le middelen\nvereiste, evenals op de uitvoeringstermijnen van de projecten.\n\nHet Vlaams Gewest heeft bij ziin beleid het bereiken van een goede waterkwaliteit steeds voorop\ngesteld.\nVan in het begin heeft het Vlaamse Gewest ervoor geopteerd de zuivering van het stedelijk afvalwater\nin een ruimere context te benaderen dan enkel en alleen de collectering en de zuivering. Er werden\nde voorbije jaren bijvoorbeeld ook volop optimalisatie-investeringen uitgevoerd zoals begeleidende\nmaatregelen ter vermindering van de emissie door overstorten van gemengde rioolstelsels en ter\nverbetering van het influent van de RWZI’s zoals bv.:\n\n- bergingsvolume in de vorm van grotere leidingen dan noodzakelijk voor -de afvoer;\n\n- bergbezinkbekkens aan overstorten;\n\n- afkoppeling van niet-veröntreinigd hemelwater van verharde opperviakken;\n\n- afkoppeling van parasitaire debieten, zoals aangesloten waterlopen, grachten, drainages enz.\n\nDaarnaast wordt er ook geinvesteerd in exploitatiebegeleidende projecten zoals:\n\n- aanpassingen aan bestaande RWZI’s ter verhoging van de hydraulische capaciteit en\nregenweerstraat, ter verbetering van de mechanische zuivering, de zandverwijdering,\nnabezinking, enz.; '\n\n- investeringen met het oog op slibafzet, zoals slibopslag, slibontwatering, slibdroging,\nslibgisting en slibverbranding; dit luik werd aanzienlijk opgevoerd onder meer met het oog op\nhet stopzetten var de slibafzet in de landbouw en de stijging var de slibafzetkosten in het\nalgemeen (tengevolge var Vlarea en het bodemsaneringsdecreet);\n\n- renovatie van pompstations, persleidingen en gravitaire leidingen;\n\n- bouwen van ontvangsteenheden en buffering van septisch materiaal.\n\nTenslotte werd, gelet op het groot aantal uit te voeren werken om aan de bepalingen van de richtlijn\nte voldoen, ervoor geopteerd om niet exclusief voorrang te geven aan agglomeraties groter dan\n10.000 IE teneinde de agglomeraties leefbaar te houden. De uitgevoerde werken hebben immers\nvoor behoorlijk wat hinder gezorgd, hinder die zich richt naar de plaatselijke bevolking, enerzijds met\ngevolgen voor de sociale en economische leefbaarheid van de betrokken agglomeratie en anderzijds\nnaar het doorgaand verkeer dat om de haverklap geconfronteerd wordt met steeds maar nieuwe\nwegomleidingen. Bij een meer geconcentreerde aanpak van grotere agglomeraties zou ook de hinder\nen de bedreiging van de sociale en economische leefbaarheid nog hoger geweest zijn.\n\nBij het opdragen van de investeringsprojecten werd daarom bijkomend rekening gehouden met\nvolgende uitgangspunten:",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p7-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 8,
"content": "- prioriteit voor kwetsbare waterlopen aangeduid in 1992, beperkt tot oppervlaktewateren\nbestemd voor drinkwater, viswater, zwemwater en schelpdierwater;\n\n- prioriteit voor meest rendementvolle projecten, met name daar waar reeds de grootste\nvuilvracht was verzameld (graad var uitbouw van het opvangsysteem), en voor sanering van\nde grootste lozingspunten;\n\n- het respecteren van een logische volgorde van aanpak van de sanering van een waterloop,\nmet name beginnen bij de meest opwaarts gelegen agglomeraties (die niet noodzakelijk de\ngrootste zijn) waarbij het saneringseffect over de ganse waterloop voelbaar wordt en pas later\nde meer afwaarts gelegen agglomeraties saneren;\n\n- het afstemmen var de investeringen in opvangsystemen op investeringen door andere\noverheden met het oog op een gelijktijdige uitvoering, een beperking van de hinder door\nwerken en het vermijden van dubbele kosten;\n\n- het opzetten van een integraal waterbeheer, waarin naast waterkwaliteitsbeheerders ook\nandere betrokken partijen (waterkwantiteit, ecologie) inspraak hebben bij de opmaak van de\nprogramma’s en het vastleggen van prioriteiten.\n\nDeze aanpak heeft geleid tot. een verspreiding van investeringen waarbij uiteraard meer geinvesteerd\nwerd in grote agglomeraties, maar waar dit zeker niet exclusief kon.\n\n2.3. Normale doorlooptijd van de projecten\n\nDe uitvoering van de projecten kent afhankelijk van de omvang van het project minimaal een normale\ndoorlooptijd van 4 4.5 jaar.\n\nTussen de defini&ring van een waterzuiveringsproject en de uiteindelijke realisatie op het terrein\nverloopt een tijdsspanne die zeifs in het beste geval (geen gewestplanwijziging vereist, geen\nmaatschappelijik probleem omitrent de aanvaarding van de investering, geen problemen met\nvergunningen, geen milieueffectenrapport vereist, geen onregelmatige inschrijvingen bij\naanbesteding, geen onverwachte hindernissen bij uitvoering, geen in gebreke bliijvende aannemer\nenz.) een periode van gemiddeld 4 & 5 jaar bedraagt.\n\nDeze minimumperiode wordt ingenomen door procedures voor de aanstelling van een ontwerper, de\nopmaak var een technisch plan (voorontwerp), de goedkeuringsprocedure van dit technische plan, de\nopmaak van het ontwerp, het bekomen van de nodige vergunningen, de aankondiging van de\naanbesteding, het onderzoek van de inschrijvingen, de gunning, de uitvoering en de oplevering. In\nbijlage 1 vindt u een verdere detaillering van de te doorlopen projectfasen terug.\n\n \n\n2.4. Overmacht bij uitvoering\n\nDeze normale doorlooptijd werd echter voor een groot deel van de projecten door diverse elementen\nin uitvoering nog verlengd.\n\nAllereerst wordt deze periode nog verlengd in geval van verplichte MER-procedure\n(milieueffectrapportering) in uitvoering van de betrokken Europese richtlijn. Deze verlenging bedraagt\nminstens een kalenderjaar en in werkelijikheid soms het dubbele, gezien de wetgeving houdende\noverheidsopdrachten voor de uitvoering var deze studies dient te worden gerespecteerd, naast de\neigenlijke studie zelf.\n\nDaarnaast heeft ook het doorgaans (sterk) kostenverhogend effect van de voorgeschreven\nmilieueffectmilderende maatregelen een verdringing van andere noodzakelijke projecten en een\nverlenging van de uitvoeringstermijn tot gevolg.\n\nBijkomend moet in uitvoering van het Natuurdecreet (omvat onder meer de omzetting van Europese\nRichtliin 92/43/EEG) voor een deel van de collectoren of RWZI’s een passende beoordeling\nopgemaakt worden, indien er impact is op een speciale beschermingszone Vogel- of Habitatrichtlijn\n(afbakening gepubliceerd in BS 17/8/2002). De vraag naar de noodzaak van opmaak en de opmaak\nzelf betekenen opnieuw een bijkomende vertraging, die in complexe gevallen, zelfs kan oplopen tot 1\na2 jaar.",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p8-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 9,
"content": "Tijdens het openbaar onderzoek, zoals voorzien in het verdrag van Aarhus, werd het Gewest in\nbepaalde dossiers geconfronteerd met actiecomites die zich om tal van redenen verzetten tegen de\ninplanting van RWZI’s en collectoren. De gerechtelijke procedures, die hieruit in bepaalde situaties\nvoortvioeiden, leidden tot jarenlange vertragingen.\n\nIn het geval van gerechtelijke onteigeningen werd in een beperkt aantal dossiers door de eigenaars\nbovendien gerechtelijke procedures opgestart om deze onteigeningen tegen te gaan. Dergelijke\nprocedures vertraagden de uitvoering eveneens aanzienlijk.\n\nBepaalde gebieden werden in de laatste jaren meermaals geconfronteerd met overstromingen. In\nVlaanderen is men de laatste jaren ook tot het besef gekomen dat de voorziene\noverstromingsbescherming in het kader van het Sigma-plan onvoldoende is. Dit gegeven wordt nog\nversterkt door de recente vaststelling dat de stormen veel heviger worden, waarschijnlijk als gevolg\nvan het broeikaseffect. Dit alles heeft er toe geleid dat er prioriteit werd gegeven aan het inrichten van\ngecontroleerde overstromingsgebieden. Dit gegeven heeft geleid tot ernstige vertragingen in een\naantal zuiveringsgebieden (Hamme en Temse) waar deze overstromingsgebieden ingericht worden.\nVerdere investeringen in zuiveringsinfrastructuur werden tijdeliik opgeschort in afwachting van het\nuitvoeren van bijkomende (en/of aangepaste) hydraulische studies, die de impact ervan moesten\nbepalen.\n\nDe regio rond Brussel werd gezien haar rol als Europese hoofdstad bovendien gekenmerkt door\nzeer moeilike grondverwervingen (Grimbergen, Sint-Pieters-Leeuw, ...) voor grote\ninfrastructuurwerken.\n\nEen aantal bodemsaneringen (Leuven, Mechelen, Grimbergen) hebben de bouw ook sterk\nvertraagd.\n\nDeel 3\nDankzij de diverse maatregelen en inspanningen is een gunstige evolutie aantoonbaar.\n\n \n\nReeds gedurende ruime tiid is de opvang en afvoer van het stedelijk afvalwater binnen de\nagglomeraties groter dan 10.000 IE volledig gerealiseerd via de gemeentelijke rioleringen. Wat ten\ndele ontbrak was de aansluiting via de bovengemeentelijke collectoren op de zuiveringsinstallaties.\nDoch dit evolueerde gunstig de afgelopen jaren.\n\nTen tijde van de veroordeling (dd. 08/07/04) was de situatie in het Viaams Gewest als volgt:\n\n- Inzake aansluiting: 71 van de 115 agglomeraties voldoen aan de aansluitingsverplichting.\n\n- Inzake zuivering: 88 van de 113 agglomeraties voldoen volledig (= inclusief\nnutriöntenverwijdering) aan de zuiveringsverplichting (excl. Installaties te Brussel-Noord en Brussel-\nZuid, die door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gebouwd en beheerd worden).\n\nOp basis van de aangesloten vuilvracht op datum van 31/12/05 is de situatie als volgt ge&volueerd:\n\n- Inzake aansluiting: 88 van de 115 agglomeraties voldoen aan de aansluitingsverplichting; maar\nook in de overige agglomeraties werd al een belangrijk deel van de aansluiting uitgebouwd of werd\nde uitbouw aangevat.\n\n- Inzake zuivering: 107 van de 113 agglomeraties (excl. Agglomeraties die gezuiverd worden op\nde installaties Brussel-Noord en Brussel-Zuid) voldoen volledig aan de zuiveringsverplichting. De\nbouw van de 6 resterende installaties is reeds of wordt nog uiterlijik eind 2006 aangevat.\n\nAlgemeen kan dus zeker gesteld worden dat sinds het arrest reeds een enorme vooruitgang\n\ngerealiseerd werd.\n\nBovendien kan op heden het Vlaams Gewest zeker stellen dat voor nagenoeg alle projecten vallend\nonder de deadline 1998 de vertragende elementen konden worden weggewerkt. Enkel een beperkt\naantal projecten, die te maken gehad hebben (en/of nog steeds te maken hebben) met den of\nmeerdere van bovenvermelde elementen, konden nog niet ten volle gerealiseerd worden.\n\nOm een zo spoedig mogelijke uitvoering van de resterende projecten te verzekeren werd hiertoe in\napril 2004, pro-actief aan het 1° arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p9-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 10,
"content": "dd. 8/7/4, via het maandelijks Overleg tussen het Vlaams Gewest (via vertegenwoordigers van het\nkabinet Leefmilieu, Aminal en Vlaamse Milieumaatschappij) en de NV Aquafin door het Vlaams\nGewest een specifieke aanpak geintroduceerd voor de resterende nog uit te voeren projecten vallend\nonder de deadline 1998. Deze aanpak beoogt via een detaillistische maandelijkse opvolging van de\nbetrokken projecten een maximale beperking van de eventueel nog .optredende vertragingselementen\nvoor de betrokken projecten. De gunstige resultaten van deze aanpak zin merkbaar in de\nbiigevoegde rapportering over de geplande situatie van aansluiting en zuivering.\n\nB. Toelichting bij de rapportering\n\nHet model in bijlage werd zo goed als mogelijk gevolgd, maar gezien de nieuwe vraagstelling en de\nkorte termijn was dit niet volledig mogelijk. De beperkte afwijkingen van het model worden hieronder\ngemotiveerd en toegelicht.\n\n1. Agglomeratie\n\nAfbakening van agglomeraties\n\nGebaseerd op scenario c) uit het Guidance Paper van de EC betr. de definitie van een agglomeratie\n(overhandigd tiiddens Comit& van 1997) werden bij de eerste detailrapportering in 1999 over de\nagglomeraties groter dan 10.000 IE alle IP-projecten? ter sanering van verschillende kleinere\nagglomeraties, die via de beschikbare scenario-analyses aangesloten zouden worden op @Enzeifde\nzuiveringsinstallatie samengeteld tot 1 agglomeratie. Scenario c stelde immers eenduidig dat\nagglomeraties, die gezuiverd worden op 1 RWZI, beschouwd moeten worden als 1 agglomeratie,\nwaarvan de grootte bepaald is door de som van de betrokken agglomeratiegroottes.\n\nDe op dat ogenblik gedefinieerde IP-projecten (via rollende 5-jarenprogramma’s) dienden echter\nreeds, behalve om uitvoering te geven aan de verplichtingen in de agglomeraties groter dan 10.000\nIE, deels om invulling te geven enerzijds aan de deadline 2005 voor de agglomeraties 2.000-10.000\nIE, alsook deels om reeds bestaande individuele saneringen via septische putten en IBA’s in\nagglomeraties kleiner dan 2.000 IE of zelfs buiten agglomeraties te optimaliseren tot een hoger\nniveau van zuivering, dan strikt genomen verplicht volgens de RL SA. Gebaseerd op de beschikbare\nscenario-analyses, die rekening hielden met de typische ruimtelijik versnipperde structuur van\nViaanderen, bleek economisch, technisch en maatschappelijk afgewogen in belangriike mate\ngezamenlijke zuivering van diverse agglomeraties op 1 grotere RWZI de meest gunstige oplossing.\n\nDit betekent in concreto dat bij de eerste detailrapportering in 1999, evenals bij latere updates var\nrapporteringen, kleinere agglomeraties sensu stricto vallende onder de deadline 2005 (agglomeraties\n2.000 — 10.000 IE) of zelifs zonder verplichting tot centrale zuivering (< 2.000 IE) telkenmale\ntoegevoegd werden aan de agglomeraties groter dan 10.000 IE en dit enkel op basis van de\ngeplande toestand.\n\nUit de besprekingen in de UWWTD-Working Group on Reporting en gebaseerd op versie 2.0 var 5-\n12-5 van het Concept Paper van de EC over ‘Clarification of concepts and terms under the UWWTD’\nis gebleken dat deze aanpak van afbakening, die geleid heeft tot de tegenstrijdige situatie dat het\nbijlkomend definiören en opdragen var IP-projecten om de waterkwaliteit verder te verbeteren telkens\nopnieuw het Vlaams Gewest verder verwijderde van haar conformiteit met de deadline 1998,\nbovendien niet verplicht was (en evenmin door de meeste andere lidstaten gehanteerd werd). Het\nvroegere scenario c), dat in het concept paper vermeld staat onder scenario b), is door de EC zelf\ngewijzigd tot een scenario dat een variante is van het basisscenario (1 agglomeratie gezuiverd door 1\nRWZI) waarbij een aantal nabijgelegen woonkernen afvoeren naar 1 enkele RWZI en dat het in deze\nomstandigheden aangewezen lijkt om het resulterende netwerk (van collecteringssystemen en WZI)\nte benaderen als 1 enkele agglomeratie.\n\nHet Vlaams Gewest wenst op geen enkele wiize afbreuk te doen aan haar engagement uit het\nverleden. Er zal op geen enkele wijze ingegrepen worden in de zuiveringsprestaties van de betrokken\n\n? Projecten opgenomen op Investeringsprogramma’s van het Vlaams Gewest",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p10-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 11,
"content": "installaties. Het resulterend netwerk blijft in ieder geval benaderd als 1 agglomeratie. Ook zullen de\ngeplande investeringen op zo kort mogelijke termijn gerealiseerd worden.\n\nIn de huidige rapportering wenst het Vlaams Gewest echter wel haar resterend uit te voeren\nverplichtingen vallend onder de deadline 1998 exact te situeren en niet langer uitgebreid met\nverplichtingen vallend onder andere deadlines en/of zelfs buiten de scope van de richtliin Stedelijk\nAfvalwater. Gezien het groot aantal projecten dat reeds is uitgevoerd, blijft de impact hiervan beperkt\ntot 6 agglomeraties (Aalter, Hamme, Tongeren, Sint-Pieters-Leeuw, Temse en Ruisbroek), waarvoor\nter illustratie van de wijze waarop de agglomeratie is samengesteld kaartmateriaal wordt toegevoegd\nwaarop de aansluitende agglomeraties worden aangegeven (zie bijlage 4). Hierbij is de inkleuring\nbepalend voor de klasse van agglomeratie (< 2.000 IE, 2.000 — 10.000 IE, > 10.000 IE). De\ngerapporteerde agglomeratiegrootte werd in deze gevallen beperkt tot de som varı de reeds\naangesloten agglomeraties.\n\n. Wat de agglomeratie Merchtem betreft: ook deze agglomeratie is een samengesteld geheel van\nkleinere agglomeraties; gezien geen enkele agglomeratie groter is dan 10.000 IE behoort deze\neigenlijk niet meer tot deze klasse van agglomeraties. De gerapporteerde gegevens hebben nog\nbetrekking op de samengestelde agglomeratie uit het verleden.\n\nIdentificatienummer\nVoor de agglomeratie Dilsen werd ons geen identificatienummer toegekend in het verleden\n(verkeerdelijk werd de RWZI toegevoegd aan de agglomeratie Tongeren waartoe ze niet behoort).\n\nBetrokken gemeenten\nVoor het Vlaams Gewest worden hieronder de deelgemeenten opgesomd.\n\nAgglomeraties afwaterend naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest\n\nVoor de twee agglomeraties afwaterend naar het Brussels Hoofdstedeliik Gewest wordt door het\nVlaams Gewest (bij wijze van uitzondering en specifiek voor deze twee gebieden) enkel\ngerapporteerd over de stand van zaken van aansluiting van de aan te sluiten inwoners van het\nVlaams Gewest.\n\nVoor de volledige agglomeratiegegevens verwijzen we naar de rapportering van het Brussels\nHoofdstedelijk Gewest: op basis van studiegegevens (1993 & 1984) en meetgegevens (2002) werd\nde totale vuilvracht van het Vlaams Gewest in deze beide agglomeraties berekend, dit wil zeggen\ninclusief alle ondernemingen aanwezig in deze gebieden. Het zijn deze laatste cijfers, die door het\nBrussels Hoofdstedelik Gewest werden aangewend, voor zowel de bepaling var de\nagglomeratiegrootte van de agglomeratie Brussel, als voor de ontwerpcapaciteit van de beide\ninstallaties.\n\n2. Opvang en afvoer\n\nFinanciering\n\nDe opvang en afvoer van het stedelijk afvalwater dient in het Vlaams Gewest gerealiseerd te worden\ndoor de gemeenten. In de agglomeraties is de uitbouw van de gemeentelijke riolering volledig\ngerealiseerd (met andere woorden: C1 = agglomeratiegrootte). Gezien de uitbouw volledig valt onder\nde gemeenteliike bevoegdheid zijn de totale financieringsgegevens hieromtrent bij het Vlaams\nGewest niet gekend.\n\nWel financiert het Gewest via subsidiring biikomend gewenste optimalisaties (renovaties of\nontbrekende schakels) van gemeentelijke rioleringen. Concreet werden per jaar door het Vlaams\nGewest de volgende kredieten voorzien en vastgelegd als subsidie:\n\nJaa Vastgelegd (euro)\nVoorzien (euro)\n\n1996 |24.789.352,48 24.784.603,09\n37.184.028,72 37.115.791,78\n\n \n\n \n\n \n\n34.446.066,13 31.638.258,67\n\n7 ‚028,\n\n1998 |61.913.886,75 61.878.116,80\n9 .066,\n\n2000 |66.428.027,83 66.350.927,87",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p11-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 12,
"content": "2001 |62.563.367,78 62.461.731,44\n2002 _|65.764.000,00 65.622.965,00\n\n2003 |65.764.000,00 + 30.667.000,00 (extra |695.752.294,76 + 30.596.644,75\n\nkredieten op Minafonds bij begrotingsbespreking\n67.492.000,00 (Minafonds) + 50.000.000 | 67.456.344,50 + 49.842.693,30 +\n(extra budget op Algemene Uitgavenbegroting) + | 13.669.728,69\n\n13.721.000 (herbestemming te annuleren\nkredieten via decreetsbepaling in Uitgavenbegroting\n2004, cf. VIF protocol .\n\n2005 |76.750.000,00 74.575.596,81\n\n2006 |66.750.000(voorlopig cifer= reguliere nn\n\nkredieten, extra middelen zijn mogelijk in de loop\nvan 2006.\n\nDe werkelijke investeringskost door de gemeente voor de betrokken projecten bedroeg gemiddeld het\n\ndrievoudige (het betreft een gedeeltelijke subsidie op de rioleringswerken). Daarnaast investeerden\n\nverschillende gemeenten nog bijkomende budgetten, onafhankelijik van de subsidies, in diverse\n\nrioleringswerken (onderhoud, herstelling, aanleg).\n\n \n \n \n\n \n\n \n\n \n\nDD\noO\noO\nESS\n\n \n \n \n\n \n \n \n \n\n \n \n \n \n\n \n \n\n \n\nEr wordt recurrent ongeveer 67 miljoen euro voorzien ter ondersteuning van de gemeentelijke\ninvesteringen. Zoals blijkt het overzicht werden de budgeiten in 2003, 2004 en 2005 substantieel\nverhoogd om de uitvoering van de gemeentelijke rioleringswerken nog beter te kunnen afstemmen op\nde uitvoering van de bovengemeentelijke werken. Ook voor 2006 en later zijn kredietverhogingen\nkunnen extra middelen aangewend worden.\n\nNoch de lekkages, noch de overstortingen van het opvangsysteern worden geacht elk afzonderlijk\nmeer dan 5% verlies van de opgevangen belasting te veroorzaken. In de ‘Code var goede praktijk\nvoor de aanleg van openbare riolen’ ‚ziin hieromtrent de nodige verplichtingen opgenomen. De\nbetrokken passages worden toegevoegd in bijlage 2.\n\n3. Aansluiting\n\nFinanciering\n\nDe aansluiting van het door de gemeenten opgevangen en afgevoerde stedelijk afvalwater op de\nzuiveringsinstallaties geschiedt via de aanleg van collectoren. De realisatie hiervan valt onder de\nbevoegdheid van het Vlaams Gewest en wordt uitgevoerd door de NV Aquafin.\n\nIn tegenstelling tot voorgaand onderdeel beschikt het Vlaams Gewest hier wel over de\nfinancieringsgegevens. We hebben er dan ook voor geopteerd deze in dit onderdeel van de\nrapportering toe te voegen, wel beperkt tot de investeringen uitgevoerd sinds de oprichting van de NV\nAquafin (inclusief de investeringen via het programma Buitengewoon Onderhoud).\n\nStand van zaken\n\nZoals blijkt uit de detailgegevens per agglomeratie is de aansluitingsverplichting voor de\nagglomeraties groter dan 10.000 IE op datum var 31-12-05 reeds voor 89% gerealiseerd.\n\nOp 31-12-06 verwachten we een aansluitingsgraad van 92%.\n\nOp 31-12-07 verwachten we een aansluitingsgraad van 98%.\n\nAl de overige aansluitingen worden verwacht uiterlijk in 2008 gerealiseerd te zullen zijn.\n\nAansluiting kan in onze interpretatie slechts gerealiseerd worden vanaf ingebruikname var de RWZI,\nnochtans is ook in de agglomeraties zonder RWZI reeds een belangrijk deel van de collectering\nuitgevoerd, dit verklaart de belangrijke toename van aansluiting in 2007.\n\n4. Zuivering\n\nStand van zaken\nEind 2005 waren 107 van de 113 te bouwen installaties in gebruik genomen. De werken aan de\noverige 6 installaties werden reeds aangevat of worden nog uiterlijk eind 2006 gegund.\n\nOp basis van de jaarconcentraties 2004 voldeden alle installaties aan alle parameters met\nuitzondering van 6 RWZI’s, die nog niet voldeden aan de N-effluentnorm. Voor 5 installaties kan, op",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p12-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 13,
"content": "basis van de uitgevoerde werken en van de nog niet gevalideerde meetgegevens 2005, reeds gesteld\nworden dat deze voor 2005 zullen voldoen. Het laatste renovatieproject voor stikstofverwijdering\n(RWZI Deurne) werd recentelijk afgerond.\n\nVanaf 1.1.06 worden bijgevolg alle bestaande installaties geacht te kunnen voldoen aan de\nverplichtingen van nutriöntenverwijdering (N en P). Ook de 6 nog in aanbouw zijnde installaties zijn\nhiervoor ontworpen. Het Vlaams Gewest voldoet hiermee dus aan artikel 5, leden 2 en 3, varı de\nrichtliin. Het Vlaams Gewest heeft maximaal getracht zo snel mogelijk te voldoen aan deze\nverplichting: voor P werd dit reeds meerdere jaren gerealiseerd, maar voor N vereiste dit op een\naantal installaties ingriijpende aanpassingswerken. De uitvoering van deze werken was, evenals de\nandere investeringen, in bepaalde gevallen onderhevig aan verlengde uitvoeringstermijnen, waarvoor\nde omstandigheden uitvoerig werden toegelicht in het algemeen gedeelte van ons antwoord.\n\nOrganische verwerkingscapaciteit\n\nIn het veld ‘Organische verwerkingscapaciteit' wordt de in het Vlaams Gewest gehanteerde\nontwerpcapaciteit ingevuld. Zoals ook reeds uitgebreid toegelicht ten tiide van de opmaak van het 4°\nImplementatierapport van de Europese Commissie en tiidens de besprekingen van de Werkgroep\nRapportering van de RL Stedelijk Afvalwater zijn we het niet eens met het standpunt van de Europese\nCommissie dat deze waarde als enige waarde voldoende informatie bevat ter beoordeling van de\nzuiveringsprestatie van de agglomeratie. In bijlage 3 voegen we de gedetailleerde motivatie opnieuw\nbij.\n\nBestaande zuiveringsprestatie\n\nHet meest afwijkend, ten opzichte van de bestaande rapporteringsmodellen inzake de RL SA, was\nhet aangeleverd model ter evaluatie van de bestaande zuiveringsprestatie.\n\nVolgens het model in bijlage bij de schriftelijke ingebrekestelling verzoekt de Europese Commissie\nBelgi& om per zuiveringsinstallatie de zuiveringsprestatie ervan weer te geven aan de hand var\nconcentraties of reductiepercentages voor elke parameter-(BZV, CZV, ZS, N, P), die per maand\nmoeten worden verstrekt.\n\nDeze vraag wijkt totaal af van de totnogtoe gehanteerde vraagstellingen van de Europese\nCommissie: totnogtoe diende per RWZI en voor elke parameter enkel weergegeven worden of de\nmeetresultaten in het referentiejaar conform de verplichtingen volgend uit de Richtliin waren. Wij\nontkennen hierbij geenszins het recht van de Europese Commissie om haar vraagstelling te wijzigen,\ndoch deze wijziging stelt ontegensprekelijk praktische problemen.\n\nV.M.M. heeft een rapporteringsomgeving ontwikkeld die tegemoet komt aan de bestaande\nrapporteringsvereisten. Via een geautomatiseerd inflowproces worden de individuele meetresultaten\nverwerkt tot jaarvrachten en een gemiddelde jaarconcentratie per RWZI. .\n\nDe vraag voor het leveren van maandgemiddelde waarden is nieuw en dateert van februari 2006.\nDeze vraag kan niet beantwoord worden via het bestaande rapporteringssysteem en moet dus\nvolledig manueel uitgevoerd worden vertrekkend van de gegevens in de dagaggregaten. .Bijgevolg\nkan deze nieuwe vraag naar maandgegevens binnen de vooropgestelde termijn niet beantwoord\nworden.\n\nHet Vlaams Gewest heeft er dan ook voor geopteerd om de effluentjaarconcentraties per parameter\nin te voegen in het rapport.\n\nIn tegenstelling tot de andere gegevens vervat in de rapportering en hoewel we verwachten dat de\nprestaties van de RWZI's in 2005 weer aanzienlijk verbeterd zijn (vnl. betreffende N-concentratie)\nworden hierbij wel de meetgegevens van 2004 gerapporteerd en dit om volgende reden: een\ngrondige datacontrole van de resultaten 2005 gebeurt in de aanloop var het Jaarverslag Water\n(uitgave V.M.M.) en deze datacontrole vangt aan op 15/03. Het snel leveren van de cijfers van 2005\nhoudt grote risico's op fouten in.\n\nIn antwoord op deze specifieke en nieuwe vraag van de Europese Commissie stelt het Vlaams\n\nGewest dan ook voor om na de afronding van de validatieperiode van de meetgegevens 2005\n(termijn: 3 maanden) de maandgegevens voor 2005 na te zenden.\n\n10",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p13-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 14,
"content": "Slib\n\nDe behandeling van het op de RWZI’s geproduceerde slib gebeurt in een aantal stappen ziinde\nslibindikking, deels anadrobe vergisting, mechanische ontwatering, eventueel thermische droging en\ntot slot eindverwerking.\n\nOmdat de slibverwerking een belangrijk deel uitmaakt van de kostprijs voor de waterzuivering werd\ndoor Aquafin gekozen voor een maximale centralisatie met als doel een maximale kostenreductie. Dit\nbetekent concreet dat een aantal installaties geen eigen slibverwerking hebben maar dat het slib\nvloeibaar wordt afgevoerd naar centrale verwerkingseenheden. Op deze centrale installaties kan dan\ndit vloeibaar aangevoerde slib samen met het eigen slib mogelijks vergist en daarna mechanisch\nontwaterd worden, Afhankelijk van de gekozen eindverwerking zal het mechanisch ontwaterd slib\nverder worden gecentraliseerd naar een 6-tal eindafzetwegen eventueel voorafgegaan door centrale\nthermische droging.\n\nGezien bedoelde centralisatie totaal los staat van de agglomeratiegrootte en gezien dat vloeibaar\naangevoerd slib (geproduceerd in verschillende agglomeraties) wordt vermengd met slib van een\ninstallatie die een eigen behandeling heeft en gelegen is in nog een andere agglomeratie en dan op\nziin beurt een eindafzet kent die weer in een andere agglomeratie of zelfs buiten Vlaanderen gelegen\nis, bleek een indeling var de slibafzet per agglomeratie voor de NV Aquafin niet mogelijk.\n\nDit heeft voor gevolg dat de totale hoeveelheid slib, die binnen of buiten de installatie wordt\nbehandeld niet kan uitgedrukt worden in % var de jaarproductie, gezien deze hoeveelheden de eigen\njaarproductie vaak overschrijden. Voor alle velden wordt de slibhoeveelheid dan ook uitgedrukt in ton\nds per jaar (in plaats van % van jaarproductie).\n\n11",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p14-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 15,
"content": "ll. Rapportering ter verstrekking van de gevraagde gegevens\n\nDe rapporten ter verstrekking van de gevraagde gegevens vindt u in bijlage 5. De digitale versie\nbevindt zich op de diskette in bijlage 6.\n\nIl. Conclusies t.a.v. de lopende ingebrekestelling\n\nOp basis van het voorgaande is aangetoond dat het Vlaams gewest zeer goed op weg is om\nvolledige uitvoering te geven aan de bepalingen Richtlijn 91/271/EEG, waarvan het Hof van Justitie in\nhaar arrest dd. 8 juli 2004 in de zaak C-27/03 de niet-correcte uitvoering heeft vastgesteld. Reeds\nsinds de inwerkingtreding in 1991 van de richtliin werd door de Vlaamse overheid een enorme\nfinanci&le impuls gegeven en een bestuurliike omkadering tot stand gebracht om de noodzakelijke\ninfrastructuur voor de zuivering van het stedelijk afvalwater te realiseren. Dat heeft jaar na jaar tot\naanzienlijke vooruitgang geleid in het licht van het opgelegde resultaat. Dit is opmerkelijk gelet op de\nhistorische achterstand en de objectieve nadelige omstandigheden in Vlaanderen om dergelijke\ngrootschalige leidingwerken te organiseren.\n\nIn het bijzonder in verband met de thans gevoerde procedure van artikel 228 van het EG-verdrag\nvestigt de Vlaams gewest de aandacht van de Commissie op de door het Hof van Justitie gestelde\nrandvoorwaarden. Het Hof heeft bij de beoordeling van de vordering van de Commissie op grond van\nvoormeld artikel wegens onvoldoende uitvoering van een arrest geveld op grond van artikel 226 varı\nhet EG-verdrag, gewezen op het feit dat de veroordeelde lidstaat onverwijld met de uitvoering moet\nbeginnen en dat de uitvoering ook zo snel mogelijk moet worden voltooid, maar dat de Commissie\nprocedure moet voeren met inachtneming van “een redelijke termijn “, te rekenen vanaf de vanaf\ndatum var het eerste arrest.\n\nDe Commissie heeft een grote beoordelingsvriiheid om de omstandigheden te beoordelen die zich\nvoordoen op het einde van het met reden omkleed advies, die zij kan uitbrengen na het antwoord op\nde voorliggende ingebrekestelling. Echter, het Vlaams gewest is van oordeel dat de Commissie in\nalle redelijkheid niet kan voorbijgaan aan de vaststelling (zoals in deze nota gedetailleerd is\nbeschreven) dat de Vlaamse regering erop heeft toegezien dat de achterstallige projecten met\nurgentie volledig zullen worden uitgevoerd. Het aantal nog uit te voeren projecten is al bij al beperkt.\n\nBovendien is het van belang erop op te wijzen dat tiidens het ganse traject om een zuiveringsproject\nvolledig te operationaliseren dwingende juridische termijnen gelden (gunningsprocedures,\nvergunningsprocedures, eventueel onteigeningen e.d.m.). Deze dwingende termijnen vloeien voort\nuit de rechtsbescherming die ook door andere Europese regels aan de burgers en het leefmilieu\nworden geboden (Mer-richtliinen, bescherming eigendomsrecht, inspraakmogelijkheden inzake\nleefmilieu voor de burger en verhaalsmogelijkheden bij de rechter). Zelfs in een strikt wettelijke\ntiidsverloop en zonder juridische incidenten telt het traject vier tot vijf kalenderjaren.\n\nDe conclusie is dan ook dat het Vlaams gewest structureel en aan het hoogst mogelijke tempo\nuitvoering geeft aan het arrest zodat geen objectieve redenen bestaan om in de komende drietal jaren\nde procedure var artikel 228 van het EG-verdrag verder te zetten.\n\nDaarnaast engageert het Vlaams gewest zich ten volle om op regelmatige basis de verdere stand van\nzaken op vlak van uitvoering te presenteren. Alleszins zijn de bevoegde diensten bereid om op korte\ntermijn over de schrifteliike verstrekte gegevens een mondelinge toelichting te verschaffen. Zoals in\nde nota is verklaard moet wel hier en daar een kanttekening gemaakt worden bij de wijze waarop de\nCommissie in haar ingebrekestelling verzoekt bepaalde gegevens over de conformiteit met de\nbepalingen van de richtliin aan te leveren. De format en de interpretaties die in de bijlage van de\ningebrekestelling staan, zijn in elk geval nieuw en doen twijfels riizen over de vereiste dat de\nbezwaren inzake niet-naleving in een procedure van artikel 228 van het EG-verdrag niet mogen\nafwijken van de door het Hof van Justitie vastgestelde schendingen van de richtlijn. Alleszins is\ndergelijke verregaande nieuwe wijze van rapportering nog niet afdoende besproken geweest in het\nComite ingesteld overeenkomstig artikel 18 van de richtliin 91/271/EEG. Het feit dat deze nieuw\nvoorgestelde rapporteringwijze tot zeer grote dicussies aanleiding geven, lijkt er nogmaals op te",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p15-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 16,
"content": "wijzen dat, objectief bekeken, de beoordeling van de volledige uitvoering van de richtliin voor\nCommissie en Lidstaten een zeer complexe zaak is. Over de gerapporteerde gegevens wenst het\nVlaams gewest in elk geval spoedig een gesprek op technische niveau te voeren.\n\nIk ben ervan overtuigd dat de Commissie bereid is om in volle vertrouwen in en in een voortdurende\n\ngeest van overleg in casu de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in Vlaanderen te\nbeoordelen.\n\nBrussel, 25 APR. >N06\n\n \n\nDe Vlaamse Minister van Openbare Kerken, Ene rgie, Leefmilieu en Natuur\n\nBijlagen:\nBijlage 1: Doorlooptijd project\nBijlage 2: Code van Goede Praktijk (Uitgave december 1996, ten dele)\nBijlage 3: Ontwerpcapaciteit RWZI’s\nBijlage 4: Kaarten Agglomeraties\n- Aalter\n- Hamme\n- Tongeren\n- ‚Sint-Pieters-Leeuw\n- Temse\n- Ruisbroek\n- Merchtem\nBijlage 5: Rapportering ter verstrekking van de gevraagde informatie\nBijlage 6: Diskette\n\n13",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p16-{size}.png"
},
{
"document": "https://fragdenstaat.de/api/v1/document/235758/?format=api",
"number": 17,
"content": "No\n\nNo\nNon\nFalsch\nNeen\n\n106 -52C\nSOF-125F\n\nNever\n\nNunca eis aW\n\nJamais\n\nNie FLOPPY DISK SHIPPER\n\nNooit",
"width": 2481,
"height": 3504,
"image": "https://media.frag-den-staat.de/files/docs/31/ba/1c/31ba1ce40d00489086b5071899b2169e/page-p17-{size}.png"
}
]
}