netherlands

Dieses Dokument ist Teil der Anfrage „Dokumente zum Überprüfungsverfahren nach Art. 9 2003/4/EG

/ 48
PDF herunterladen
waarin informatie over monitoring makkelijk vindbaar wordt gemaakt.‘' Jaarlijks
wordt een milieu- en natuurbalans gepubliceerd, voorheen door het Milieu- en
natuurplanbureau (MNP), de voorganger van het Planbureau voor de leefomgeving
(PBL). In het Milieu- en natuurcompendium worden feiten en cijfers over het milieu
en de natuur in Nederland overzichtelijk bij elkaar gebracht door het PBL, het
Centraal bureau voor de statistiek en het WUR?
(www.milieuennatuurcompendium.nl).

De organisatie van de gegevensvoorziening over milieu en natuur in Nederland is
geinventariseerd in het rapport “Inventarisatie gegevensvoorziening PBL-vestiging
Bilthoven’. Dit rapport laat zien dat een groot aantal organisaties bij deze
gegevensvoorziening betrokken is. De geschetste knelpunten betreffen met name de
kwaliteitsborging en problemen van organisatorische aard. De voorgestelde
oplossingsrichtingen zijn erop gericht de verzameling, afstemming, beheer en
beschikbaarstelling van gegevens inzake milieu, natuur, water en ruimte te
verbeteren.®°

De monitoring die plaatsvindt met het oog op de toestand van het milieu, gebeurt
deels landelijk (landelijke meetnetten voor lucht, bodem en grondwater en monitoring
van de kwaliteit van het oppervlaktewater). Daarnaast vindt provinciale monitoring
plaats van lucht, bodem en grondwater. Met betrekking tot gegevens over de natuur is
van belang dat in 2007 door de minister van LNV een ‘Gegevensautoriteit Natuur’ is
ingesteld. Deze heeft tot taak de beschikbaarheid, betrouwbaarheid en volledigheid
van natuurgegevens voor bedrijven en overheden te bevorderen. Tevens dient deze de
samenwerking tussen gegevensverzamelaars, -beheerders en -gebruikers te
bevorderen en een nationale databank Flora en Fauna in te richten.°* Met betrekking
tot de uitwisseling en afstemming van geo-informatie heeft de minister van VROM
het interdepartementale GEO-Informatieberaad opgericht. Dit beraad heeft onder
meer tot taak de implementatie van INSPIRE in Nederland te begeleiden. Ook het
Europese SEIS-project werkt in deze initiatieven door.®°

Empirisch perspectief

Uit het empirisch onderzoek is naar voren gekomen dat de decentrale overheden in
hoge mate eigen initiatief tot actieve openbaarheid hebben ontwikkeld. Uit tabel 7 kan
worden geconcludeerd dat het eerder regel is dan uitzondering dat zij zelf activiteiten
hebben ondernomen om milieu-informatie te ordenen en te verspreiden. De eigen
website is daarvoor het meest gebruikte medium, maar daarnaast worden ook dag- en
weekbladen en andere schriftelijke informatiekanalen gebruikt en soms ook
informatiebijeenkomsten over speciale issues georganiseerd. Veel overheden hebben
voor het actief verschaffen van milieu-informatie een speciale website ingericht, vaak
toegerust met zoekmogelijkheden aan de hand van sleuteltermen of vrije termen en
doorlinkmogelijkheden naar andere websites. Sommige provincies en gemeenten
bieden daarnaast de mogelijkheid om op postcode te zoeken. Wat betreft het maken

®! Deze website is gemaakt door IPO, PBL en RIVM in samenwerking met de ministeries VROM,
LNV en VenW.

°° Wageningen Universiteit en Researchcentrum.

®Planbureau voor de leefomgeving, Bilthoven, 2008 (nr. 500064001).

*4 yww.gegevensautoriteitnatuur.nl.

#5 INSPIRE: Infrastructure for Spatial Information in Europe. SEIS: Shared Environmental Information
System. Zie over de hier genoemde projecten en initiatieven het vorengenoemde rapport Inventarisatie
gegevensvoorziening PBL-vestiging Bilthoven.
39

van een vertaalslag is een trend waarneembaar dat overheden steeds meer moeite doen
om de begrijpelijkheid van de verschafte milieu informatie te vergroten. De
provincies steken daar tot nu toe verreweg de meeste energie in.

Tabel 7. Stand van zaken actieve openbaarheid algemeen

Type overheid Milieu-informatie op Speciale website Vertaalslag

eigen initiatief (in %) (in %)

(in %)

 ——r

er
KA CA EEE
:
:

           
  
 
 
 
 
 
 

 
 
 

  

Ministeries
(n=4)
Waterschappen
(n=16)
Provincies
(n=9)
Gemeenten
(n=40)

> 100.000
(n=12)

< 100.000
(n=28)
Overheden totaal
(n=69)

 
  

   
   

 
  

 
   
  

 
  

Vraag 8.2 Welke maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de informatie
op passende wijze wordt bijgewerkt?

   

Juridisch perspectief
De wettelijike bepalingen inzake het milieujaarverslag en het PRTR-verslag
verplichten tot jaarlijkse rapportage en validering.

Empirisch perspectief
Geen opmerkingen.

Vraag 8.3 Is het verplicht, op nationaal, regionaal en lokaal niveau, verslag uit te
brengen over de toestand van het milieu? Zo ja, volgens welk tijdschema?

Op nationaal niveau zijn er onder meer de volgende verplichtingen tot het uitbrengen
van verslagen over de toestand van het milieu. 6

- Het Planbureau voor de leefomgeving (hierna: het Planbureau) brengt vierjaarlijks
aan de minister van VROM een wetenschappelijk rapport uit waarin de ontwikkeling
van de kwaliteit van het milieu wordt beschreven over een door de minister aan te
geven periode van tenminste tien jaar (art. 4.2 lid 1 Wm).

- Het Planbureau brengt vierjaarlijks een wetenschappelijk rapport uit over de
toestand van natuur, bos en landschap (Natuurbeschermingwet 1998 art. 9a lid 1.7

- Het Planbureau brengt jaarlijks aan de minister van VROM een wetenschappelijk
rapport uit waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu wordt beschreven
die het resultaat is van de uitvoering van de beleidsmaatregelen die van invloed zijn

#6 Dit overzicht richt zich met name op documenten over het milieu in het algemeen; ruimtelijke
plannen zijn niet meegenomen.
°7 De wet spreekt hier nog over het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu.
40

op die kwaliteit en die in het jaar waarop het rapport betrekking heeft, van kracht
waren (art. 4.2 lid 2 Wm).

- Het Planbureau rapporteert jaarliiks over de ontwikkelingen op
natuurbeschermingsgebied (Natuurbeschermingswet 1998, art. 9a lid 2).

De Wm bevat daarnaast verplichtingen tot het maken van plannen en programma’s,
waarbij het rapporteren over de toestand van het milieu veelal een onderdeel is:

Milieubeleidsplannen:

- tenminste eenmaal in de vier jaar stellen de betrokken ministers een nationaal
milieubeleidsplan vast (art. 4.3 Wm);?®

- tenminste eenmaal in de vier jaar stellen provinciale staten een provinciaal
milieubeleidsplan vast (art. 4.9 Wm);

- een regionaal milieubeleidsplan kan worden vastgesteld door het algemeen
bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 Wet gemeenschappelijke
regelingen in een aantal grote gemeenten (art. 4.15a Wm);

- een gemeentelijk milieubeleidsplan kan worden vastgesteld door de
gemeenteraad (art. 4.16 Wm).

Milieubeleidsprogramma’s:

- de ministers stellen jaarlijks een nationaal milieuprogramma vast (art. 4.7, lid
1, Wm);

-  gedeputeerde staten stellen jaarlijiks een provinciaal milieuprogramma vast
(art. 4.14, lid 1, Wm);

- het dagelijks bestuur van een plusregio stelt jaarlijks een milieuprogramma
vast (art. 4.15b Wm);

- de gemeenteraad stelt jaarlijiks voor een daarbij vast te stellen periode een
gemeentelijk milieuprogramma vast (art. 4.20 Wm).

Plannen en programma’s op watergebied

De Wet op de waterhuishouding (Wwh) bevat sinds 1990 een uitgebreid stelsel aan
planverplichtingen met betrekking tot waterbeleid en waterbeheer van
oppervlaktewater- en grondwater kwaliteit en kwantiteit (art. 3-11 Wwh). Dit betreft
de landelijke Nota waterhuishouding, het provinciale waterhuishoudingsplan en
landelijke en regionale beheersplannen; de beheersplannen worden vastgesteld door
het Rijk respectievelijik de regionale waterbeheerders. Het planstelsel van de
voorziene Waterwet (Kamerstukken 30 818) komt hiermee in grote lijnen overeen.
Een belangrijk verschil is dat onder de nieuwe Waterwet de ruimtelijke aspecten van
het nationale waterplan en de regionale waterbeleidsplannen de status zullen hebben
van een structuurvisie op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening. Hiermee
wordt doorwerking beoogd van het waterbeleid in de ruimtelijke ordening. Het
nationale waterplan zal ook het Nederlandse deel van de internationale
stroomgebiedbeheerplannen voor de Rijn, Maas, Schelde en Eems omvatten.

#® De geldingsduur kan met twee jaar worden verlengd (art. 4.6 lid 2). Het huidige milieubeleidsplan
(NMPA) dateert uit 2001.

® Sinds enige jaren is dit document moeilijk vindbaar en slecht toegankelijk omdat het geen
afzonderlijk document meer is, maar onderdeel is van begrotingsstukken.
41

Voorbeelden van plannen/programma’s voor afzonderlijke milieucomponenten/
beleidsonderdelen

- Afvalbeheersplan (titel 10.2 Wm) (art. 7 richtliin 2006/12 (kaderrichtlijn
afvalstoffen). Art. 10.3 Wm vereist dat dit plan tenministe eenmaal in de vier jaar
door de minister van VROM wordt vastgesteld.

- Plan- en programmaverplichtingen voor de luchtkwaliteit, op plaatselijk, provinciaal
en nationaal niveau, zijn voor de op dat niveau bevoegde bestuursorganen vastgelegd
in de art. 5.9 — 5.15 Wm.

Vraag 8.4 Wat voor instrumenten worden gebruikt voor de bekendmaking van
deze verslagen?

Juridisch perspectief

De Wm bepaalt hoe de vaststelling van milieuplannen en programma’s bekend
gemaakt dient te worden. Tevens bepaalt de Wm dat de betreffende bestuursorganen
bij die bekendmaking moeten aangeven hoe van het plan kennis kan worden
gekregen.

De minister maakt de vaststelling van het nationale milieubeleidsplan bekend in de
Staatscourant. Hij geeft daarbij aan hoe kan worden kennis gekregen van de inhoud
van het plan (art. 4.5, lid 2, Wm). Ten aanzien van het nationale milieuprogramma
bepaalt art. 4.8 Wm dat de minister dit bekend maakt door overlegging aan de Staten-
Generaal bij de aanbieding van de rijksbegroting. Daarnaast wordt van het programma
mededeling gedaan door toezending aan gedeputeerde staten.

Gedeputeerde staten maken de vaststelling van het provinciale milieubeleidsplan
bekend in de Staatscourant. Zij geven hierbij aan hoe kan worden kennis gekregen
van de inhoud van het plan (art. 4.11, lid 2). Het provinciale milieuprogramma wordt
door gedeputeerde staten bekend gemaakt door overlegging aan provinciale staten bij
het ontwerp van de begroting. Zij doen gelijktijdig mededeling van het programma
door toezending aan de minister (art. 4.15, lid 2). Gedeputeerde staten dienen tevens
de vaststelling van het programma bekend te maken in de Staatscourant (4.15 lid 2 jo.
4.11, lid 2). Deze bekendmaking in de Staatscourant geldt dus, ingevolge deze Wm-
bepalingen alleen voor het provinciale programma en niet voor het nationale
milieuprogramma.

De vaststelling van een gemeentelijk milieubeleidsplan wordt door burgemeester en
wethouders bekend gemaakt in &&n of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente
verspreid worden. Zij geven hierbij aan hoe kan worden kennis gekregen van de
inhoud van het plan (art. 4.18 Wm). Dit geldt ook voor het gemeentelijk
milieuprogramma (art. 4.21, lid 4).

Vraag 8.5: Heeft u nog andere opmerkingen wat betreft de praktische toepassing
van artikel 7?

Geen opmerkingen
42

9, Kwaliteit van de milieu-informatie (artikel 8 richtlijn)

Vraag 9.1 Welke maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de door de
overheidsinstanties of de op hun verzoek samengestelde informatie actueel,
nauwkeurig en vergelijkbaar is?

Juridisch perspectief
De openbaarheidsregelingen bevatten alleen globale aanduidingen over de kwaliteit
van informatie.

Art. 2, lid 2, Wob verplicht het informatie verstrekkende bestuursorgaan ertoe er
zoveel mogelijk voor te zorgen dat de informatie actueel, nauwkeurig en
vergelijkbaar is. Daarnaast bepaalt de Wob dat het bestuursorgaan ervoor zorgdraagt
dat de uit eigen beweging verstrekte informatie in begrijpelijke vorm wordt verstrekt
(art. 8, lid 2).

Deze zorgplichten zijn niet nader uitgewerkt in regelgeving. De vanouds bestaande
“Aanwijzingen inzake openbaarheid van bestuur, die een model Wob-regeling
bevatten voor de ministers en de onder hun verantwoordelijkheid werkzame
instellingen, diensten en bedrijven, bevatten alleen procedurele voorschriften.” Ook
de ‘Nadere regelen Wet en Besluit openbaarheid van bestuur”” bevatten alleen
organisatorische en procedurele bepalingen.

De Awb stelt eisen aan de zorgvuldigheid van de voorbereiding van besluiten (art. 3:2
Awb) en aan de motivering van besluiten (art. 3:46 en 3:47 Awb), maar niet aan de
kwaliteit van verstrekte informatie.

De memorie van toelichting bij de Implementatiewet vermeldt dat de
inspanningsverplichting om bij de vergaring van informatie een bepaalde kwaliteit te
waarborgen een algemeen karakter heeft, waarbij het niet wenselijk is de
kwaliteitscriteria veder te concretiseren, onder meer ter voorkoming van ongewenste
‘a-contrario-redeneringen’. Vermeld wordt dat de wet geen bewerkingsplicht kent.
Verwezen wordt naar de verplichtingen van art. 3:2 Awb. Ten aanzien van
‘vergelijkbaarheid’ vermeldt de memorie van toelichting bij de Implementatiewet dat
hierbij te denken is aan een voor de burger toegankelijke vorm, bijvoorbeeld een
vergelijkbare wijze van rubriceren.’”” De kwaliteitseisen uit de richtlijn worden dus in
de Wob wel vermeld maar in de wettelijke regeling niet ingevuld.

Kwaliteitseisen voor het milieujaarverslag

In het kader van het milieujaarverslag (MJV) is in de afgelopen jaren een aantal
maatregelen genomen met het oog op de kwaliteit van door bedrijven geleverde
rapportages. Het MJV is, op grond van titel 12.1 Wm een voor circa 250 bedrijven
verplichte jaarlijkse verslaglegging. Het Besluit milieuverslaglegging” bevat op zeer

” Circulaire van 8 april 1992, vastgesteld bij besluit van de Minister-President van 8 april 1992. Op
basis van deze circulaires hebben diverse ministers voor hun ministeries een Uitvoeringsregeling Wet
openbaarheid van bestuur gemaakt.

>! Het Besluit openbaarheid van bestuur bestaat niet meer. De ‘Nadere regelen kennen nog altijd deze
titel. De Nadere regelen werden opgesteld door de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk
Werk.

” Kamerstukken Il, 2004/05, 29 877, nr. 3, p. 5.

” Stb. 1998, 655; laatstelijk gewijzigd Stb. 2008, 30.
43

beperkte schaal enkele kwaliteitsvereisten voor het rapporteren van kwantitatieve
gegevens.

Zo bepaalt art. 3 van het Besluit milieuverslaglegging dat kwantitatieve gegevens
worden voorzien van een toelichting, indien dit voor een goed begrip noodzakelijk is
(lid 3) en dat kwantitatieve gegevens op zorgvuldige en verifieerbare wijze tot stand
komen met behulp van een bij de inrichting gedocumenteerd meet- en
registratiesysteem tot stand ( lid 4).

Met het oog op de kwaliteit van gegevens is een aantal documenten opgesteld, zoals
een checklist en een handreiking ten behoeve van de validering door het bevoegd
gezag.” Ook is er een helpdesk voor bedrijven en bevoegde gezagen, waarop onder
meer een Leidraad milieurapportages ter ondersteuning van de uitvoering.

Uit evaluatieonderzoek naar het MJV dat in 2005 werd gehouden komt naar voren dat
de kwaliteit van door bedrijven geleverde gegevens een knelpunt vormt. Aanbevolen
wordt de documenten een duidelijker juridische status te geven.”’ In het onderzoek
wordt gesignaleerd dat de kwaliteit van de geleverde gegevens, onder meer van
emissies naar de lucht, een knelpunt kan vormen. Voor de validering door de
bevoegde gezagen ontbreekt menskracht en expertise.”®

Naar het validatieproces van emissiejaarvrachten in milieujaarverslagen is in 2006
onderzoek verricht door de VROM-Inspectie.”” Op basis van dit onderzoek wordt, aan
de hand van audits, onder meer geconcludeerd dat het validatieproces door provincies
onvoldoende wordt beheerst en dat het risico dat fouten in opgegeven emissiecijfers
onontdekt blijven significant is. Bij meer dan de helft van de onderzochte bedrijven
ontbraken procedures voor het opstellen van milieujaarverslagen. De checklist meet-
en registratiegegevens wordt nauwelijks gehanteerd, zo wordt geconcludeerd.
Aangekondigd wordt dat de handreiking validatie milieujaarverslagen, onder andere
met het oog op de bruikbaarheid voor de PRTR-rapportages zal worden geactualiseerd
in opdracht van het ministerie VROM. De Handreiking zal worden omgevormd tot
een Instructie milieurapportages, die bestuurlijk zal worden vastgesteld.'

Kwaliteitseisen PRTR-verslag

Ingevolge art. 12.20, lid 2, Wm moet het PRTR-verslag voldoen aan de
kwaliteitseisen zoals neergelegd in art. 9, lid 2, EG-verordening PRTR. Ingevolge het
in voorbereiding zijnde art. 12.20a Wm zullen deze eisen ook gaan gelden voor het
integrale PRTR-verslag.!”' Voor de kwaliteitsbeoordeling door de bevoegde gezagen
verwijst de toelichting bij het Uitvoeringsbesluit PRTR naar het voorheen gebruikte
instrument van de Leidraad Milieurapportages. De handreikingen hierin zouden

>* Zo bepaalt art. 3 lid 3 van het Besluit dat kwantitatieve gegevens worden voorzien van een
toelichting, indien dit voor een goed begrip noodzakelijk is (lid 3). Kwantitatieve gegevens komen op
zorgvuldige en verifieerbare wijze met behulp van een bij de inrichting gedocumenteerd meet- en
registratiesysteem tot stand (art. 3 lid 4).

” Handreiking validatie milieujaarverslagen, ministerie van Verkeer en waterstaat, Unie van
waterschappen, Interprovinciaal overleg en VNG, Den Haag: 2003.

° www.fo-industrie.nl

°F, van der Woerd e.a., ‘Het milieujaarverslag. Zes jaar later’, STEM-publicatie 2005/4.

°® STEM-publicatie 2005/4, p. 36 en 47

”® VROM-Inspectie regio Zuid-West. Omissies in emissies, Rotterdam: 11 juni 2007.

!% Kamerstukken II, 2006/07, 31 068, nr. 5, p. 3.

!9} Kamerstukken II, 2007/08, 31 592, nr. 3, p. 8/9.
44

voldoende zijn voor de beoordeling. Een mogelijke verankering van de Leidraad in
algemene regels wordt afhankelijk gesteld van ervaringen met het PRTR-systeem.'”

Kwaliteitseisen voor emissieverslagen in verband met de handel in emissierechten
Anders dan bij het MJV en het PRTR is er voor de kwaliteitsbeoordeling van
emissieverslagen in verband met de handel in emissierechten een uitgewerkte
wettelijke regeling in hoofdstuk 16 Wm. Onderdeel daarvan is een verklaring van een
onafhankelijk deskundige (art. 16.12 lidi Wm). Er worden eisen gesteld aan de
verificateur en de verificatie van het emissieverslag (art. 16.14 Wm) en er is een
procedure voor het geval het emissieverslag niet voldoet. Het bestuur var de
emissieautoriteit kan dan bepaalde maatregelen nemen (art. 16.16 Wm).

Kwaliteitseisen hoofdstuk 11 Wm (‘andere handelingen’)

Hoofdstuk 11 Wm bevat een basis voor het bij of krachtens amvb stellen var
kwaliteitseisen voor bepaalde werkzaamheden en van integriteitseisen aan degenen
die werkzaamheden uitvoeren, in verband met de bescherming van het milieu. De
werkzaamheden betreffen onder meer: het verrichten van berekeningen, metingen of
tellingen, het nemen van monsters, het beoordelen of inspecteren van stoffen of
producten, het afgeven van certificaten.

Conclusie

Gezien de ervaringen met de kwaliteit van gegevens en de beoordeling van die
kwaliteit, onder meer in het MJV, is de kwaliteit van de PRTR-verslagen een
belangrijk aandachtpunt. Niet duidelijk is in hoeverre er voldoende instrumenten voor
het bevoegd gezag zijn voor een adequate validering van milieu- en emissieverslagen.

Empirisch perspectief

Uit het empirisch onderzoek is gebleken dat verreweg de meeste overheden geen
kwaliteitsprocedure hebben en ook niet van plan zijn om hier in het komende jaar iets
aan te doen. Zoals tabel 8 laat zien, zijn de provincies en de waterschappen hier
relatief het meest actief in en de ministeries het minst.

Tabel 8. Kwaliteitsprocedure milieu-informatie

Type overheid Wel procedure Geen procedure
(in %) (in %)
Ministeries 0 (0) 100

(n=4)
Waterschappen
(n=16)
Provincies
(n=9)
Gemeenten
(n=40)

> 100.000
(n=12)

    
 
      
    
 
  

 
   
  
 
 
   
    
  

 

 
  

33 (56)
18 (25)

25 (25)
< 100.000 14 (25
(n=28) 2)

(n=69)

!% Staatsblad 2008, 30 ,p. 7 (toelichting bij het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-
protoco)).
45

(Ö) Percentage inclusief overheden met plannen om in het komende jaar een kwaliteitsprocedure te
ontwikkelen

Uit het onderzoek komt verder naar voren dat bij het merendeel van de ministeries,
waterschappen, provincies en gemeenten er wel eens discussie is over de kwaliteit
van de geleverde milieu-informatie. In enkele uitzonderlijke gevallen is dat vaker het
geval. Er is relatief de meeste discussie bij ministeries, provincies en grote gemeenten.
Tabel 9 geeft een overzicht van het scala aan verschillende kwaliteitsaspecten dat in
de praktijk ter discussie is gesteld. Onder de categorie “andere aspecten” blijkt dat
ook “volledigheid” herhaaldelijk aan de orde is gesteld. Samengevat wordt bij de
ministeries vooral de volledigheid van verstrekte informatie bediscussieerd, bij de
provincies de begrijpelijkheid, en bij de waterschappen en gemeenten de juistheid.
Discussie over dit laatste aspect kan erop duiden dat vraag en antwoord niet altijd op
elkaar aansluiten, bijvoorbeeld omdat de vraag niet goed is begrepen.

Tabel 9. Ter discussie gestelde kwaliteitsaspecten'”

Type Actualiteit | Begrijpe- | Juistheid | Nauwkeu- | Traceer-- | Vergelijik- | Volledig-
overheid (in %) lijkheid (in %) righeid baarheid | baarheid heid'*
Ce %) 3 %) us %) Ce %) Ca %)

| Ministerien |
Fi

Waterschap- BE
pen

n=8) _

(n=23)

> 100.000

(n=8)
(n= 15)
Overheden
totaal
(n=40)
Ter vergroting van de begrijpelijkheid van milieu-informatie is een trend
waarneembaar dat overheden steeds meer moeite doen om een vertaalslag te maken.
De provincies steken daar tot nu toe verreweg de meeste moeite in Voorbeelden
daarvan zijn: per onderwerp standaard een inleiding geven, veelgestelde vragen en
antwoorden formuleren, interpreteren van meetgegevens, gebruiken van

“persberichten”, aanbieden van GIS-informatie via milieu- en risicokaarten, en
omzetten van vaktechnische termen in “Jip en Janneke taal”.

        
      
      
   
        

     

  

  

Vraag 9.2 Om duidelijke, nauwkeurige en vergelijkbare informatie te
waarborgen, is de methode voor het samenstellen van informatie belangrijk.

‚” N-waarden zijn aangepast aan de aantallen overheden waarbij de kwaliteit van de verstrekte

milieu-informatie daadwerkelijk ter discussie is gesteld.
104 : “ . 19 .

Het kwaliteitsaspect “volledigheid” maakte geen deel uit van de van te voren opgegeven
antwoordcategorie&n, maar is toegevoegd vanwege de antwoorden in de categorie “anders, te weten”.
Het is aannemelijk dat deze categorie hoger zou hebben gescoord als deze expliciet was genoemd op
het vragenformulier.
46

Heeft u vragen ontvangen over de gebruikte methode?
Vermeld alle volgens u relevante informatie.

Uit de beantwoording van vraag 9.1 (onder kwaliteitseisen milieujaarverslag) komt
naar voren dat voor het opstellen van milieujaarverslagen procedures vaak ontbreken
en dat de checklist meet- en registratiegegevens weinig wordt gehanteerd.

Vraag 9.3 Heeft u nog andere opmerkingen wat betreft de praktische toepassing
van artikel 8?

Geen opmerkingen
47

10. Statistieken

Vraag 10. Mochten er reeds statistische gegevens bekend zijn over de hieronder
genoemde zaken, dan zou de Commissie deze graag ontvangen.

Juridisch perspectief

Voorzover bekend zijn er geen statistische gegevens over het aantal ingediende
aanvragen, de gebieden waarop deze betrekking hebben, het aantal binnen de
termijnen behandelde aanvragen en het aantal aangenomen/afgewezen aanvragen.
Ook over het aantal in overeenstemming met art. 6 ingeleide procedures, de
gemiddelde duur en kosten van de procedures en het percentage succesvolle en
mislukte procedures zijn er, voorzover bekend, geen statistische gegevens.

Empirisch perspectief

Er zijn in Nederland geen statische gegevens centraal beschikbaar over het aantal
ingediende aanvragen voor milieu-informatie. Zoals tabel 10 laat zien, registreert rond
de 50% van de overheden aanvragen voor milieu-informatie zelf of heeft plannen in
die richting. Vergelijkenderwijs doen de provincies relatief het minst aan registratie.
Bij de in totaal 30 van de 67 respondenten die wel een registratie bijhouden, blijken
de aantallen ontvangen verzoeken in 2007 behoorlijk uiteen te lopen. Terwijl bijna
een derde geen enkele aanvraag heeft ontvangen, zijn 5 van hen met 100 of meer
aanvragen benaderd. Deze uitschieters zijn een waterschap die veel vragen krijgt over
lozingen, en vier gemeenten die veel verzoeken ontvangen om informatie over
bodemgerelateerde zaken van vooral makelaars. Vanuit de praktijk is hiervoor als
verklaring gegeven dat de betreffende gemeenten zelf bodemrapporten afgeven en
deze nog niet via de speciale landelijke website beschikbaar hebben gesteld. Bij dit
onderwerp is het verder van belang om te realiseren dat overheden verschillende
definities hanteren van een “aanvraag voor milieu-informatie’ in de zin van Aarhus of
Wob en als gevolg daarvan het uitgangspunt voor registratie kan verschillen. Het
komt bijvoorbeeld regelmatig voor dat zij daarvoor als voorwaarde een aanvraag per
brief of e-mail stellen.

Tabel 10. Aanwezigheid centrale registratie van aanvragen voor milieu-informatie

Type overheid Ja, registratie Nee, geen registratie
(in %) (in %)

(n=3)

en “> KEE
(n=15)

(n=9)

(n=40)

(n=12)

55

 

 
  
 
 

       
 

     
 
 

 

  

 
 
     

(n=28)
(n=67)

() Percentage inclusief overheden met plannen om een registratie te gaan bijhouden in het komende jaar
48